Diederik doet het toch

Dit verhaal gaat over een klein vogeltje . De mensen noemen hem een roodborstje , maar zijn ouders noemen hem Diederik .Sinds een paar dagen kan Diederik vliegen . Samen met zijn vader en moeder vliegt hij overal naar toe . Hij is zelfs al in de allerhoogste boom van de buurt geweest , helemaal bovenin .

Natuurlijk moet Diederik nog veel leren . Zo moet hij leren waar hij eten kan vinden , op welke plekjes je het beste kan slapen en hoe je het beste kunt beschermen tegen regen en kou . En verder moet hij leren wat er allemaal gevaarlijk is . Want ook vogels kunnen onder een auto komen als ze niet uitkijken .

Niet alleen auto´s zijn gevaarlijk . Er zijn nog veel meer gevaren voor kleine vogeltjes . Denk bijvoorbeeld aan katten die heel graag kleinen vogeltjes lusten en denk ook aan roofvogels die zomaar van hoog uit de lucht naar beneden komen vliegen om een klein vogeltje op te eten .

Diederik jongen , zegt papa Roodborst tegen hem , blijf voorlopig maar een beetje bij ons in de buurt . Al doende kunnen wij je alles leren wat je moet weten . En over een tijdje kun je overal alleen naar toe . Goed hoor pap , zegt Diederik , dat zal ik doen . En hij meent het . Maar als even later zijn ouders een middag dutje doen  , vind Diederik het toch wel saai in en rond het nest . Er valt helemaal niets te beleven . Hij verveelt zich . Wat moet hij gaan doen ? Ook gaan slapen ? Maar hij is nog helemaal niet moe . Zal ik een stukje gaan vliegen , vraagt hij zich af . Een heel klein rondje dat kan toch geen kwaad . Zodra Papa en Mamma wakker worden ben ik allang weer terug ……..Zal ik het doen ?………Oké ik doe het .

Diederik vliegt zachtjes weg . Wat is vliegen toch leuk ! He , ziet hij daar een broodkorstje op het gras ? Wat heeft hij toch een geluk , want hij heeft best honger . Diederik landt naast het broodkorstje en pikt en pikt dat het een lieve lust is . Wat een heerlijk brood ! Intussen probeert hij te doen wat zijn ouder hem geleerd hebben . Zodra hij het kattenluikje van de kater Felix hoort , is hij dus extra op zijn hoede .

Felix komt naar naar buiten en ziet Diederik ! O , wat een lekker vogeltje , denkt hij . Met een paar grote sprongen springt hij naar Diederik . Diederik schrikt zich een hoedje ! Katten zijn veel sneller dan hij dacht ! Help , help , roept hij , help . Zo snel hij kan springt hij in de lucht en tegelijkertijd slaat hij zijn vleugeltjes uit om te vliegen . Het gaat goed .

Weg is Diederik , de lucht in . Zo hoog dat Felix er niet bij kan . Maar van schrik kijkt Diederik niet goed uit en dan ………

Boem !! Daar vliegt hij zomaar tegen het grote raam van het huis . En plof ! Daar valt hij op de grond . Au , au wat doet mijn hoofd pijn , roept Diederik . Gauw wilt hij opnieuw opvliegen . Maar dat gaat helemaal niet . Hij is even duizelig geworden en vliegen lukt even niet . Heeft poes Felix hem gezien ?

Jawel , kater Felix heeft hem gezien ! Maar Felix hoort ook een luid gekwetter achter in de tuin . Hij besluit eerst daar maar eens een kijkje te nemen . Daar zitten nog meer lekkere vogeltjes , zo te horen . Het geeft Diederik de gelegenheid om nog eens te proberen of hij weg kan vliegen . Gelukkig ! Nu lukt het wel ! En even later is Diederik terug in het nest van zijn ouders . Maar waar zijn Pappa en Mama gebleven ? Wat zitten ze daar te kwetteren achter in de tuin ? Gelukkig , daar komen zij weer aangevlogen .

Domme , domme , domme Diederik ! , roept zijn Papa Roodborst hem al van verre toe . Ik dacht dat je nog een tijdje bij ons in de buurt zou blijven . Want dat je niet tegen ramen moest vliegen dat hebben wij je nog niet geleerd ! Gelukkig maar dat je zo hard om hulp hebt geroepen en wij je hoorden . Zo konden wij poes Felix van je weg lokken daar achter in de tuin te gaan zitten kwetteren . Deze keer is het goed afgelopen , maar de volgende keer moet je wel beter luisteren , hoor ! Ja pap , zegt Diederik , dat zal ik doen ! En vervolgens kruipt hij lekker tegen zijn vader en moeder aan , veilig in het warme nest .

 

 

Kokkie de Torenkraai.  

Ka ka dat is Kokkie , hij is alweer wakker , hij zit op de nok van het dak .
Het is heel vroeg in de morgen en nog kil , maar de zon straalt al heerlijk aan de hemel en schijnt warm op zijn kop , rug en buik … Al zijn veren heeft hij opgeschud . Zijn glanzende zwarte snavel steekt schuin omhoog en zijn glinsterende kraaloogjes zoeken in de lucht , waar een paar vogels trekken , heel hoog als stipjes zo klein … Maar Kokkie ziet ze wel en kijkt ze na . Ze verdwijnen achter de bomen en hij trekt zich hoog op de poten om ze nog te kunnen zien . Dan duikt hij in elkaar en tuurt en tuurt maar .
Hij lijkt wel een oud mannetje die zich in de zon zit te koesteren .
Om hem heen is het een drukste van jewelste , de mussen die elkaar scheldend najagen in de tuin , de spreeuwen die zitten te kwetteren op het dak , de duiven die grote rondvluchten maken in de heldere morgenlucht . Alles is zo licht en vrolijk . De zon straalt over het dorp . Op de hoogste tak achter in de tuin zit een merel zijn lied te fluiten , de mezen bengelen aan de takken van de bomen , pink , pink , pink klinkt hun heldere tevreden stemmetjes als ze weer een lekker hapje hebben gevonden . Iedereen is vrolijk en blij .
Alleen Kokkie zit daar maar stil en alleen en eenzaam op het dak . Het lijkt wel of hij er niet bij hoort . In zijn hartje is er steeds dat ene sterke verlangen : daar in de hoge lucht te kunnen zweven op sterke vleugels , als maar hoger en verder … maar dat kan hij niet . Voor hem is er alleen dit ene dak , waar hij nog maar nauwelijks op kan vliegen , en beneden is de tuin en de straat .
Dat is Kokkie’s wereldje , alleen , want andere vogels houden niet van hem en gaan hem uit de weg . Voor hem zijn er geen vriendjes om mee te spelen , en ook geen vrouwtje waar hij samen een nestje kan bouwen .
Kokkie is altijd alleen . Dat is moeilijk , dat doet pijn …
Een ruwe wrede jongen heeft zijn vleugels afgeknipt . Kokkie is een ,, tamme ,, torenkraai van Ruurd . Hij is een mooie vogel , zijn veren zijn glanzend zwart , en soms licht er een blauwe weerschijn op , als de zon erop schijnt , in zijn nek zitten grijze veertjes en zijn ondeugende glinsterende oogjes zijn grijs , bijna wit . Zijn kop is dik , daarom roepen de jongens uit het dorp ,, dikkop ,, tegen hem . Ja hij is een mooie vogel , alleen zielig van wegen zijn afgeknipte vleugelstompjes . In het midden van het dorp staat de kerk met de toren . In die toren en in de bomen rondom het kerkhof wonen de toren kraaien , daar voelen zij zich veilig . Kokkie woonde daar eerst ook , daar is hij geboren . Toen hij net nog niet oud was om te vliegen , is hij uit het nest gevallen en door een jongen meegenomen naar huis . Daar hebben ze zijn vleugeltjes kortgeknipt en werd en werd hij opgesloten in een hokje met gaas ervoor , daarin zat hij maanden lang opgesloten . De jongen vergat soms enkele dagen hem eten en drinken te geven . Soms speelde hij wild met Kokkie , zodat die trillend van angst in een hoekje kroop . Toen na een trieste koude winter is hij hier gekomen bij zijn nieuwe baasje . Nu is hij vrij en mag vrij rondscharrelen in de tuin en op het dak . S’nachts kan hij slapen in het schuurtje , waar altijd een raampje openstaat , daar is hij veilig voor regen en kou . In de tuin zoek hij zijn voedsel , kevers en wormen , en van zijn baasje krijgt hij iedere morgen witte brood geweekt in melk .
Dit baasje is zijn vriend , die zorgt voor hem , speelt met hem en heeft een blinkend ringetje om zijn linkerpoot gedaan , dat betekend dat hij bij het baasje hoort . Ja , hier heeft hij goed . Maar ja toch blijft het verlangen om hoog in de lucht te kunnen vliegen . Nu kan hij alleen maar de vogels nakijken , die lucht is voor hem onbereikbaar , hoog en ver .
Het is met Kokkie net als met een ziek kind , die wel heel voorzichtig buiten mag wandelen , maar die nooit eens echt mee kan spelen , die altijd maar moet toekijken , die nooit mag doen wat hij graag zou willen .
Dat is moeilijk , dat doet pijn . Arme Kokkie .

Einde .       

Eigenlijk een zielig verhaaltje over de torenkraai Kokkie , maar helaas gebeurt dit maar al te vaak en haalt de dierenambulance ieder jaar wel een paar kraaiachtigen op zoals Kokkie . Jammer !

 

 

Gedicht : Het paard en de mus

Paardje uw krib is boordevol,
en mijn buik is leeg en hol.
Mag ik ook een hapje of twee,
he, jawel mus eet maar mee.

Pik maar toe zoveel je kunt,
’t is u hartelijk gegund.
Mus was waarlijk in haar schik,
at zich ’t kleine buikje dik.
En bedankte voor ’t onthaal,
’t vriendelijk paard wel duizend maal.

Paardje kan ik ook voor u iets doen,
want ik zie u hebt verdriet,
en het eten smaakt u niet.

Och, sprak ’t paard, er zitten wel
duizend vliegen op mijn vel.
’t Is haast niet om uit te staan,
zoveel pijn doen zij mijn aan.

Ho! Sprak mus is ’t anders niet,
ik weet wel raad voor dit verdriet.
En toen vloog mus over ’t paard zijn kop,
en hapte al de kwade vliegen op.